Uitstel is schijnzekerheid
secretaris • 6 januari 2026

Drie maanden uitstel is geen beleid, maar bestuurlijke schijnzekerheid

De zwaar bevochten en drie maanden uitstel van boetes op ‘schijnzelfstandigheid’ toont vooral dat de onze parlementariërs hun democratisch mandaat met moeite uitvoeren.
Drie maanden extra tijd veranderen niets aan de kern van het probleem: een wet die al bijna tien jaar niet uitvoerbaar, niet handhaafbaar en niet rechtszeker is, wordt nu met steeds zwaardere sancties alsnog afgedwongen. Zonder democratisch gelegitimeerde herijking. Zonder inhoudelijke reparatie. En zonder onafhankelijke toetsing. Dat is geen beleid. Dat is doormodderen.


Zwaardere boetes lossen geen fundamentele onduidelijkheid op

Het debat is de afgelopen weken sterk juridisch-technisch ingestoken: verzuimboetes versus vergrijpboetes, percentages, staffels, maximale bedragen, strafrechtelijke vervolging. Alsof de vraag welk sanctiemiddel wordt ingezet het echte probleem is. Dat is het niet.

Het probleem is dat zelfstandigen en opdrachtgevers vooraf niet kunnen vaststellen of hun arbeidsrelatie als zelfstandig of als dienstverband wordt aangemerkt. Niet omdat zij te kwader trouw zijn, maar omdat de wet geen objectieve, concreet toepasbare normen bevat. Begrippen als gezag, inbedding en persoonlijke arbeid zijn contextafhankelijk, casuïstisch en pas achteraf juridisch te duiden.

Een overheid die in zo’n situatie de handhaving ‘robuuster’ maakt door zwaardere boetes in te zetten, handelt niet daadkrachtig maar onzorgvuldig. Hardere handhaving op basis van vage normen is geen rechtshandhaving, maar risicoverschuiving: van de staat naar burgers en bedrijven.


Bedrijfsbezoek eerst, sanctie later? Dat is geen rechtszekerheid

Ook het idee dat handhaving in 2026 zou beginnen met een ‘bedrijfsbezoek vooraf’ biedt schijnveiligheid (pun intended). Een gesprek zonder bindende beoordeling, zonder formele kwalificatie en zonder rechtsgevolg creëert geen duidelijkheid. Het stelt het echte moment van waarheid slechts uit.

De essentie blijft: pas bij naheffing, boete of rechterlijke toets ontstaat duidelijkheid. Soms jaren later. Dat is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en met elementaire beginselen van behoorlijk bestuur. Wetgeving hoort richtinggevend te zijn vóór handelen, niet corrigerend erna.


Democratische legitimatie ontbreekt – en wordt genegeerd

Het meest zorgwekkende is niet het uitstel van drie maanden, maar wat het symboliseert. De Tweede Kamer heeft zich meermaals uitgesproken voor verlenging van de zachte landing en voor meer duidelijkheid voordat handhaving wordt aangescherpt. Die wens is slechts marginaal en selectief overgenomen. De kern – uitstel tot er wél duidelijke kaders zijn – is genegeerd. 

Daarmee ontbreekt de democratische legitimatie voor de huidige koers. Beleid met zulke ingrijpende gevolgen voor honderdduizenden zelfstandigen en opdrachtgevers hoort te steunen op breed gedragen, zorgvuldig getoetste wetgeving én wensen uit het werkend veld. Die basis is er niet.

‘Schijnzelfstandigheid’ is vooral een SZW-gedrocht. De zzp’ers zelf zijn voor het overgrote merendeel zeer gelukkig met hun bestaan en betalen zat aan de schatkist. De
gedwongen zelfstandigen, werkenden die gedwongen voor een habbekrats aan de slag zijn, moeten uiteraard wel beschermd. Dat is echter een klein deel. De rest hoort professionele autonomie te hebben en niet onder staatsdwang loopbaankeuzes te moeten maken. Drie maanden uitstel verandert daar niets aan. Het versterkt het draagvlak niet, het vergroot de duidelijkheid niet en het herstelt het vertrouwen niet. Het koopt alleen tijd, terwijl de rekening – economisch én bestuurlijk – blijft oplopen.


Tien jaar Wet DBA, nul integrale evaluatie

Wat des te schrijnender is: ondanks bijna tien jaar Wet DBA ontbreekt nog steeds een integrale, onafhankelijke evaluatie van de effectiviteit, kosten en nevenschade van deze wet. Niemand kan onderbouwd aantonen dat schijnzelfstandigheid daadwerkelijk is verminderd. Niemand kan inzichtelijk maken hoeveel echte zelfstandigen opdrachten zijn kwijtgeraakt, hoeveel economische schade is ontstaan of hoeveel uitvoeringskosten dit beleid de belastingbetaler heeft gekost.

Dat is bestuurlijk onverdedigbaar.

Daarom heeft Comité ZZP de Raad van State en de Algemene Rekenkamer verzocht om een onafhankelijke toetsing van de uitvoerbaarheid, handhaafbaarheid, rechtszekerheid en effectiviteit van de Wet DBA. Niet om handhaving te frustreren, maar om beleid weer te baseren op feiten, proportionaliteit en juridische kwaliteit.


Zolang dat niet verandert, is elke vorm van uitstel – drie maanden, zes maanden of een jaar – betekenisloos. Het verlengt slechts een situatie waarin onzekerheid structureel wordt afgewenteld op burgers, ondernemers en uiteindelijk de belastingbetaler.
De weinig onderbouwde drang en dwang naar ‘dienstverband als norm’, die vooral een departementale basis kent, maakt een bijna agressieve indruk jegens de eigen bevolking.

Wie werkelijk iets wil doen aan schijnzelfstandigheid, begint niet bij de boete, maar bij de wet. En die klus is al veel te lang vooruitgeschoven.


Danielle van Wieringen
Secretaris Comité ZZP

door secretaris • 2 november 2026
Alle zelfstandigen verdienen rechtszekerheid FNV Zelfstandigen stelt dat duidelijkheid voor ongeveer 275.000 zelfstandigen onzekerheid veroorzaakt voor meer dan 85% van de beroepsbevolking. Die conclusie wordt niet onderbouwd. FNV noemt bezwaren tegen de Zelfstandigenwet, maar maakt niet duidelijk welke bestaande werknemersrechten door welke bepaling in gevaar komen, noch waarom meer dan 85% van de beroepsbevolking daardoor onzekerheid zou ervaren. Het tegenover elkaar plaatsen van twee percentages is geen onderbouwing van dat verband. Comité ZZP vindt dat werknemersbescherming en rechtszekerheid voor zelfstandigen beide serieus moeten worden genomen. Wie feitelijk werknemer is en wil zijn, verdient de bijbehorende bescherming. Wie daadwerkelijk zelfstandig onderneemt, verdient duidelijke regels en ruimte om te ondernemen. De vraag is hoe wetgeving beide waarborgt. De afbakening tot 275.000 is niet aangetoond Volgens FNV bestaat twijfel bij opdrachtgevers over ongeveer 275.000 zzp’ers die eigen arbeid aanbieden, langdurig voor dezelfde opdrachtgever werken en weinig opdrachtgevers hebben. In de reactie ontbreken een bron en een controleerbare berekening. Daarmee ontbreekt de onderbouwing om juist deze groep als de volledige groep met onzekerheid aan te wijzen. Het CBS verzamelt gegevens over het aantal opdrachtgevers en de mate waarin zelfstandigen voor hun inkomsten afhankelijk zijn van één opdrachtgever. Die gegevens beschrijven economische afhankelijkheid. Ze meten niet hoeveel zelfstandigen en opdrachtgevers onzeker zijn over de juridische kwalificatie van hun samenwerking. Die twee zaken mogen niet zonder aanvullende onderbouwing aan elkaar worden gelijkgesteld. FNV beschrijft bovendien zelf dat opdrachtgevers alle zzp’ers uitsluiten, bestaande samenwerkingen beëindigen of zelfstandigen uitsluitend via tussenbureaus laten werken. Zulke algemene maatregelen onderscheiden niet naar opdrachtduur of het aantal opdrachtgevers van een individuele zelfstandige. Dat betekent onzekerheid voor álle zzp'ers en kan niet de bedoeling zijn. Alle zelfstandigen hebben belang bij duidelijke regels Los van het precieze aantal vindt Comité ZZP dat alle zelfstandigen rechtszekerheid verdienen. Zij moeten kunnen beoordelen onder welke voorwaarden zij een opdracht kunnen uitvoeren en welke verplichtingen daarbij horen. Dat belang geldt voor starters, voor ondernemers met meerdere opdrachtgevers en voor zelfstandigen die afwisselend korte en lange opdrachten aannemen. Daarmee wordt niet beweerd dat iedere zelfstandige evenveel onzekerheid ervaart. Ook als het uitsluitend om 275.000 mensen zou gaan, blijft hun belang bij rechtszekerheid overeind. De omvang van een groep is geen argument om onduidelijkheid voor die groep te laten voortbestaan. Een lange opdracht maakt iemand nog geen werknemer Een langdurige opdracht of een beperkt aantal opdrachtgevers kan meewegen bij de beoordeling van een arbeidsrelatie. Geen van beide bepaalt op zichzelf de uitkomst. Een specialist kan maanden aan één project werken en daadwerkelijk ondernemer zijn. Omgekeerd bewijst een reeks korte opdrachten niet dat iemand zelfstandig werkt. De Hoge Raad verlangt een beoordeling van alle omstandigheden in onderling verband. In de Uber-uitspraak van 21 februari 2025 bevestigde de Hoge Raad dat ondernemerschap volwaardig meetelt en zelfs doorslaggevend kan zijn. Daarbij kunnen ook omstandigheden buiten de specifieke opdracht van belang zijn. Het aantal opdrachtgevers en de duur van opdrachten bieden dus geen zelfstandige grond om een hele groep als werknemer of ondernemer aan te merken. Evenmin tonen ze aan waar rechtsonzekerheid begint of eindigt. Waarop is de onzekerheid voor die 85% gebaseerd? FNV hecht terecht aan werknemersbescherming en een goed functionerend collectief stelsel. Wijzigingen in de afbakening van de arbeidsovereenkomst moeten daarom zorgvuldig worden beoordeeld. Als een voorstel mogelijkheden creëert om werknemers ten onrechte als zelfstandige te behandelen, moet dat concreet worden benoemd en aangepakt. Maar daarvoor is meer nodig dan de stelling dat aanpassing van het arbeidsrecht onzekerheid schept voor vrijwel alle werknemers. Welke bepaling veroorzaakt dat? Voor welke werknemers verandert de rechtspositie? Welke bescherming wordt moeilijker afdwingbaar? FNV noemt onder meer open normen, aansluiting op bestaande rechtspraak en onduidelijkheid over pensioen en fiscaliteit. Dat zijn onderwerpen voor een inhoudelijke beoordeling van het voorstel. Ze tonen op zichzelf niet aan dat meer dan 85% van de beroepsbevolking onzekerheid zal ervaren. Het bestaan van rechtspraak maakt nadere wetgeving bovendien niet bij voorbaat ongewenst. In de Deliveroo-uitspraak wees de Hoge Raad expliciet op de aandacht van de wetgever voor nadere algemene regels over de afgrenzing tussen werknemerschap en zelfstandig ondernemerschap. Een gelijk speelveld vraagt ook om ruimte voor ondernemerschap Comité ZZP onderschrijft het belang van bescherming voor alle werkenden. Een gelijk speelveld vraagt om eerlijke voorwaarden voor verschillende manieren van werken. Werknemers moeten kunnen rekenen op hun arbeidsrechtelijke bescherming. Zelfstandigen moeten hun onderneming verantwoord kunnen voeren en vooraf zo goed mogelijk kunnen beoordelen waar zij aan toe zijn. FNV constateert ook dat slecht werkgeverschap mensen richting zelfstandigheid kan duwen. Dat verdient een eigen antwoord: meer zeggenschap, betere roosters, minder bureaucratie en een werkbare balans tussen werk en privé. Onduidelijkheid over zelfstandig ondernemerschap lost die problemen niet op. Wie zelfstandig wil werken, moet dat kunnen doen. Verbeter het voorstel waar dat nodig is De Zelfstandigenwet moet kritisch worden getoetst op duidelijkheid, uitvoerbaarheid en bescherming tegen misbruik. Als criteria onvoldoende houvast bieden of waarborgen tekortschieten, moeten die worden verbeterd. Rechtszekerheid is een doel waaraan het voorstel moet worden getoetst, geen resultaat dat bij voorbaat vaststaat. Diezelfde zorgvuldigheid mag worden verwacht van de kritiek. Een onbewezen tegenstelling tussen 3% en 85% helpt het debat niet verder. De wetgever moet werknemers beschermen én zelfstandigen een helder kader bieden. Alle zelfstandigen verdienen duidelijke regels.
door secretaris • 28 oktober 2026
Nederland telt ruim een miljoen zelfstandigen zonder personeel. Veel van hen kiezen bewust voor ondernemerschap. Ze investeren, nemen risico’s, zoeken klanten en dragen verantwoordelijkheid voor hun eigen inkomen en toekomst. Het Burgerlijk Wetboek regelt verschillende overeenkomsten waaronder zij werken. Toch ontbreekt een algemene wettelijke omschrijving van zelfstandig ondernemerschap. Dat roept een vraag op: verdient zelfstandig ondernemerschap, naast de arbeidsovereenkomst, een duidelijker eigen plaats in de wet? De contractvorm is geregeld, de ondernemer niet algemeen omschreven Artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek beschrijft wanneer sprake is van een arbeidsovereenkomst. Arbeid, loon en werken in dienst van een ander vormen daarbij de kern. Rondom deze overeenkomst is een uitgebreid stelsel van werknemersbescherming gebouwd. Het Burgerlijk Wetboek kent ook de overeenkomst van opdracht en aanneming van werk. Die regelen belangrijke contractvormen waarvan zelfstandigen gebruikmaken. Ze geven geen echter algemene omschrijving van wie zelfstandig ondernemer is. Dat onderscheid doet ertoe. De overeenkomst waaronder iemand werkt, heeft een wettelijke plaats. Zelfstandig ondernemerschap als zodanig heeft binnen het Burgerlijk Wetboek geen vergelijkbare algemene omschrijving. Ondernemerschap is juridisch al relevant Nederland kent verschillende ondernemersbegrippen. De inkomstenbelasting en de btw hebben ieder hun eigen criteria. Ook binnen het Burgerlijk Wetboek bestaan begrippen voor specifieke doeleinden, zoals de handelaar in het consumentenrecht. Die begrippen beantwoorden echter niet automatisch de vraag of iemand een bepaalde opdracht als zelfstandige uitvoert. Ondernemer zijn en een arbeidsovereenkomst hebben, sluiten elkaar niet in alle omstandigheden uit. Iemand kan een eigen bedrijf hebben en daarnaast in loondienst werken. Ook bij de beoordeling van een arbeidsrelatie speelt ondernemerschap al een belangrijke rol. De Hoge Raad heeft bevestigd dat ondernemerschap volwaardig moet worden meegewogen. Daarbij kunnen ook omstandigheden buiten de betreffende opdracht meetellen, zoals acquisitie, reputatie en het aantal opdrachtgevers. Tussen de relevante omstandigheden geldt geen vaste rangorde. Die erkenning is belangrijk. Echter: zij is ontwikkeld in de rechtspraak. Een expliciete wettelijke omschrijving van zelfstandig ondernemerschap als tegenhanger van de arbeidsovereenkomst ontbreekt nog steeds. Geef ook de bewuste keuze betekenis De wens om ondernemer te zijn, maakt iemand onder het huidige recht nog geen zelfstandige. Een contract met het opschrift ‘overeenkomst van opdracht’ is evenmin voldoende. De overeengekomen rechten en verplichtingen en de uitvoering daarvan bepalen hoe de arbeidsrelatie juridisch wordt beoordeeld. Daarmee is de politieke vraag niet beantwoord: welke betekenis zou een aantoonbaar vrije en geïnformeerde keuze voor ondernemerschap in de wet moeten krijgen? Die keuze hoeft niet op zichzelf beslissend te zijn. Zij kan worden verbonden aan objectieve kenmerken: zelfstandig opdrachten verwerven, investeren, eigen tarieven bepalen, verantwoordelijkheid dragen voor het resultaat en ondernemersrisico lopen. Wie wettelijke erkenning van ondernemerschap bepleit, moet daarom duidelijk maken welke combinatie van keuzevrijheid en feitelijke zelfstandigheid daarvoor nodig is. Andere Europese landen bieden aanknopingspunten Andere Europese landen geven ondernemerschap en zelfstandig werk op verschillende manieren een wettelijke plaats. Duitsland omschrijft in § 14 van het Bürgerliches Gesetzbuch wie bij het aangaan van een rechtshandeling als ondernemer handelt. - Italië kent zowel een ondernemersbegrip als afzonderlijke bepalingen over zelfstandig werk. - België heeft een breed ondernemingsbegrip vastgelegd in het Wetboek Economisch Recht. Die begrippen hebben verschillende functies en zijn niet zonder meer gelijk aan de Nederlandse zzp’er. - Spanje biedt een directer aanknopingspunt. De Ley 20/2007 del Estatuto del trabajo autónomo omschrijft zelfstandig werkenden en regelt hun rechten en plichten. Daarbij is onder meer vereist dat zij voor eigen rekening en buiten de leiding en organisatie van een ander werken. Deze voorbeelden lossen de grens tussen zelfstandigheid en werknemerschap niet vanzelf op. Ze laten wel zien dat een expliciet wettelijk kader voor ondernemerschap of zelfstandig werk mogelijk is naast werknemersbescherming. Maak duidelijk wat wettelijke erkenning moet opleveren Comité ZZP pleit ervoor te onderzoeken hoe zelfstandig ondernemerschap een eigen wettelijke omschrijving en duidelijke rechtsgevolgen kan krijgen. Daarbij moet vooraf helder zijn wat zo’n regeling oplevert. Welke kenmerken wijzen op daadwerkelijke zelfstandigheid? Hoe weegt de bewuste keuze mee? En welke zekerheid kunnen opdrachtgever en opdrachtnemer daaraan ontlenen voordat zij gaan samenwerken? Een wettelijke regeling moet meer bieden dan symbolische erkenning. Zij moet bijdragen aan een begrijpelijke en voorspelbare beoordeling, met waarborgen tegen schijnzelfstandigheid en behoud van werknemersbescherming. Het Nederlandse recht erkent ondernemerschap al op verschillende plaatsen. De rechtspraak geeft het betekenis bij de beoordeling van arbeidsrelaties. De volgende vraag is of de wetgever die erkenning duidelijker en samenhangender moet vastleggen. Het wordt tijd dat de wet ook positief omschrijft wat daadwerkelijk zelfstandig ondernemerschap inhoudt — en welke rechtsgevolgen daaraan verbonden zijn.
door penningmeester • 21 oktober 2026
‘Geen zzp’er inhuren’ is een veilig advies. Is het ook het beste advies?
door secretaris • 19 oktober 2026
PRO: contra zzp.
door secretaris • 3 augustus 2026
Geen VBAR 2.0
door secretaris • 24 juli 2026
De nieuwste cijfers van de KvK laten zien dat het aantal zzp'ers opnieuw flink is gestegen.
door secretaris • 15 juli 2026
Er is een campagne. Maar we zien ‘m niet. De naam is sterk: ‘Zo kan zzp wél’.
door secretaris • 6 juli 2026
Twee ministers. Eén ministerie. Twee boodschappen.
door penningmeester • 29 juni 2026
De wereld beweegt richting solo. Dat is geen toeval!
door secretaris • 22 juni 2026
Framing en feiten: Waarom het bashen van de zzp’er nu écht moet stoppen